1. Home
  2.   MIRT 2010
  3.   Projecten- en Programmaoverzicht
  4.   Leeswijzer
  5. 4.1 Leeswijzer

4.1 Leeswijzer

In dit hoofdstuk worden de investeringsprojecten en -programma’s van de ministeries van VROM, VenW, EZ en LNV beschreven in de vorm van project- of programmabladen. Per project of programma wordt zowel beleids- als projectinformatie gegeven.

Zoals in hoofdstuk 1 aangegeven, kiest het kabinet ervoor om in het MIRT investeringsprojecten en -programma’s op te nemen waar sprake is van een ruimtelijk fysieke ingreep en waarbij het rijk direct financieel betrokken is. Dit betekent dat investeringen en financiële stromen waar het rijk niet direct bij betrokken is, zoals bijvoorbeeld de specifieke gebundelde (doel)uitkeringen, niet opgenomen worden. Vanwege relevante programma-afspraken tussen LNV en decentrale overheden over de inzet van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) zijn ter informatie wel programmabladen in het MIRT opgenomen voor Nationale Landschappen, Ecologische Hoofdstructuur en Recreatie, Groen en Toegankelijkheid. Tevens zijn enkele specifieke subsidieprogramma’s (zoals Spoorse Doorsnijdingen) opgenomen.

Het hoofdstuk begint met een overzicht van projecten die in 2009 zijn/worden gerealiseerd dan wel opgeleverd. Voor VenW-projecten geldt dat het kan voorkomen dat er na oplevering nog financiële verplichtingen doorlopen, waardoor een gerealiseerd project nog in de tabellen is opgenomen. Na dit overzicht en het nieuw opgenomen overzicht van de Filetop 50 worden de lopende projecten en programma’s besproken. Dit gebeurt eerst op nationaal niveau en daarna op gebiedsniveau, in de volgorde Randstad, West overig, Zuid, Oost en Noord. Binnen deze katernen zijn de projecten en programma’s opgenomen in volgorde van de rijksbegroting, dus eerst VROM (hoofdstuk XI) en daarna VenW (hoofdstuk XII), EZ (hoofdstuk XIII) en LNV (hoofdstuk XIV). De VenW projecten zijn verder geordend per begrotingsartikel van het Infrastructuurfonds. Allereerst zijn de waterkeren en waterbeheren projecten opgenomen (artikel 11) en vervolgens hoofdwegen (artikel 12), spoorwegen (artikel 13), regionaal/lokaal (artikel 14) en hoofdvaarwegen (artikel 15).

Ten opzichte van het MIRT Projectenboek 2009 zijn er twee belangrijke wijzigingen doorgevoerd. Allereerst wordt in paragraaf 4.2 in het kader van de motie Madlener (TK 31305, nr. 115) een overzicht gegeven van de Filetop 50 op het wegennetwerk over de eerste helft van 2009 (bron Rijkswaterstaat). Tevens is op de relevante wegenprojectbladen aangegeven welk knelpunt uit de Filetop 50 wordt verminderd of opgelost door het betreffende project. Op deze manier wordt de link gelegd tussen de beleidsinhoud en de zwaarste filelocaties van Nederland.

De andere wijziging vormt een aanvulling op de opgenomen informatie op de projectbladen van VenW over de marktbenadering. Indien van toepassing is aangegeven of de PPC-toets (Public Private Comparator) is uitgevoerd en wat daarvan de uitkomst is. Deze toevoeging is conform de toezegging van de minister van VenW aan de Tweede Kamer. Zie voor meer informatie de korte beschrijving onder marktbenadering in §4.1.1.

4.1.1 Indeling project/programmabladen

bladen zijn opgebouwd volgens een vaste indeling.

Voor verkenningen wordt een korte beschrijving van het probleem weergegeven.

Bij planstudie- en realisatieprojecten/programma’s en beheer en onderhoudsprojecten wordt ingegaan op de volgende punten:

Probleem

Beschrijving van het knelpunt/probleem.

Beschrijving oplossing

De gekozen oplossing of de (mogelijke) oplossingen/ onderzoeksvarianten voor het aangegeven knelpunt/probleem.

Inpassing

Eventuele grootschalige inpassingsmaatregelen.

Tijdschema mijlpalen

De planning van het project/programma, met aandacht voor de start van de realisatie en de oplevering.

Voor VenW-projecten is ook specifieke aandacht voor het tijdstip van het tracé- of projectbesluit.

Financiën

Het (taakstellende) budget of de rijksbijdrage. Als dat niet mogelijk is, wordt eventueel een reservering van rijksmiddelen of een raming van de (project)kosten gegeven.

Bij VenW-projecten worden ook de uitvoeringskosten van Rijkswaterstaat (RWS) gepresenteerd (BLD-bijdrage) en wordt – waar relevant – aangegeven met hoeveel tolopbrengsten rekening wordt gehouden. Beheer- en onderhoudskosten maken geen deel uit van het gepresenteerde taakstellend budget voor realisatie- en planstudieprojecten.

VenW deelt projecten op in financiële categorieën, die apart op de projectbladen worden gemeld:

Categorie 0:

Projecten, waarvoor een uitvoeringsbesluit is genomen (financiering is rond).

Categorie 1: Planstudies voor projecten met de volgende kenmerken:

  • de start van de realisatie van het project is voorzien in de periode tot en met 2014; 
  • er is in de periode tot en met 2014 zicht op financiële middelen en/of er zijn reeds besluiten genomen over het (voorlopig) reserveren/beschikbaar stellen van financiële middelen; 
  • er wordt bekeken of er aanvullende financiële middelen beschikbaar gesteld kunnen/ zullen worden voor het project (via andere begrotingen, zoals het FES, via andere overheden en/of via private partijen).   

Categorie 2: Planstudies voor projecten met de volgende kenmerken:

  • de mogelijke start van de realisatie van het project is voorzien in de periode 2015 - 2020; 
  • de mogelijke projecten voor deze fase zijn bekend, maar er is voor de periode 2015 - 2020 nog onvoldoende zicht op financiële middelen voor een bouwvariant van het project; 
  • er wordt bekeken of er financiële middelen beschikbaar gesteld kunnen/zullen worden voor het project (reguliere middelen én middelen via andere begrotingen, zoals het FES, via andere overheden en/of via private partijen).   

Politiek/bestuurlijk

De politiek-bestuurlijke afspraken tussen VROM, VenW, EZ en/of LNV, de Tweede Kamer, decentrale overheden en/of andere partijen.

Marktbenadering

De wijze waarop de ‘markt’ betrokken wordt/ is bij de projectontwikkeling. De twee belangrijkste instrumenten zijn de marktscan en de PPC (Public Private Comparator). De marktscan wordt gebruikt in de verkenningsfase om te bekijken bij welk alternatief samenwerking met de markt de grootste meerwaarde heeft. In de planstudiefase wordt op het voorkeursalternatief de PPC uitgevoerd. Uit de PPC blijkt of samenwerking tussen overheid en markt meerwaarde heeft ten opzichte van het zelf uitvoeren van een project door de overheid.

Voor VenW projecten wordt de PPC uitgevoerd als aan de volgende voorwaarden is voldaan: 

  • de projectkosten bedragen meer dan € 60 miljoen; 
  • het project is na 2005 overgegaan naar de planstudiefase; 
  • Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor de uitvoering; 
  • het is geen Beheer en Onderhoudproject. Op basis van de uitkomst van de PPC wordt bepaald of een vorm van publiek private samenwerking (PPS) meerwaarde heeft. Dan wordt gekozen voor een bepaalde contractvorm (DBFM (Design, Build, Finance and Maintain) DBM of DB).   

Filetop 50

Wanneer een wegenproject een bijdrage levert aan het verminderen of oplossen van een Filetop 50 knelpunt, wordt dit aangegeven op het projectblad.

Projecthistorie

Toelichting op de wijzigingen met betrekking tot bovengenoemde punten die zich in het huidige begrotingsjaar (2010) ten opzichte van het vorige begrotingsjaar (2009) hebben voorgedaan. In ieder geval worden opgenomen wijzigingen in de financiën (zowel kostenstijgingen als -dalingen) toegelicht indien de wijziging meer dan 10% is ten opzichte van de vorige begroting. Wijzigingen in het tijdschema worden in elk geval opgenomen als er sprake is van een versnelling of vertraging van het project met meer dan 1 jaar ten opzichte van de vorige begroting.

4.1.2 Kostenmutaties bij VenW-projecten

Kostenmutaties van projecten worden ingepast in het totale infrastructuurprogramma op basis van zorgvuldige afwegingen. In het geval van kostenstijgingen bij een gekozen planstudievariant en bij projecten in uitvoering wordt per project beoordeeld hoe die binnen het totale programma kunnen worden opgelost.

Hierbij worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: 

  • eerst wordt bekeken of de kosten bij de uitvoering van het project teruggebracht kunnen worden (bijvoorbeeld door het gebruik van andere materialen of technieken); 
  • daarna wordt onderzocht of de scope dan wel de functionaliteit van het project kan worden aangepast;
  • als de kostenstijging niet binnen het project zelf kan worden opgevangen wordt bekeken of andere projecten binnen de desbetreffende regio en het desbetreffende deelprogramma kunnen worden versoberd of vertraagd (zodanig dat het totale programma weer financieel sluitend is);
  • mocht dit alles geen oplossing bieden dan zal binnen het totale infrastructuurprogramma een oplossing worden gezocht, zo nodig ten koste van het betreffende of een ander planstudieproject.   

Meer informatie

Vrachtwagen
MIRT Projectenboek 2010

Hoofdmenu

Servicemenu