2.2 Ruimte
Nota Ruimte
De Nota Ruimte bevat de uitgangspunten voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland en de daarbij horende doelstellingen voor de komende decennia. Deze nota gaat uit van een nationale ruimtelijke hoofdstructuur die de elementen bevat waarop het rijk zich primair richt en is gebaseerd op een aantal inhoudelijke uitgangspunten: bundeling van de verstedelijking, duurzame ontwikkeling van de meer landelijke gebieden en de natuur (met onder andere de Ecologische Hoofdstructuur) en versterking van de nationale stedelijke netwerken en de daaraan gekoppelde economische kerngebieden. Meer specifiek richt het rijk zich op vier doelen: versterking van de internationale concurrentiepositie van Nederland, bevordering van krachtige steden en een vitaal platteland, borging en ontwikkeling van belangrijke (inter)nationale ruimtelijke waarden en borging van de veiligheid.
Met de Nota Ruimte ligt het accent niet langer op het stellen van beperkingen, maar op het stimuleren van gewenste ontwikkelingen. Daarbij wordt als sturingsfilosofie ’decentraal wat kan, centraal wat moet’ gehanteerd. De Nota Ruimte vormt het integrale ruimtelijk kader voor de overige ruimtelijke nota’s. In het verlengde van de Nota Ruimte is voor de Randstad de Structuurvisie Randstad 2040 opgesteld (zie §2.2.6).
2.2.1 Nota Ruimtebudget
Om invulling te geven aan de gebiedsgerichte aanpak, zoals verwoord in de Nota Ruimte, heeft het kabinet het Nota Ruimtebudget ingesteld. Met de Nota Ruimtebudget-projecten worden integrale én duurzame gebiedsontwikkelingen van nationaal belang ten uitvoer gebracht. Het zijn ruimtelijke opgaven waarvoor de regio een aanzienlijke mate van rijksbetrokkenheid vraagt. Voor de uitvoering van de Nota Ruimte is voor de periode tot en met 2014 € 1 miljard beschikbaar gesteld. Dit wordt ingezet voor het ruimtelijk beleid van dit kabinet, dat gericht is op een mooier Nederland dat ook duurzaam is en internationaal kan concurreren door:
- De ruimtevraag te bundelen.
- Het bebouwd gebied beter te benutten.
- De openheid van het landschap te versterken.
- De kwaliteit van de dagelijkse leefomgeving te verbeteren.
- De ruimtelijke inrichting klimaatbestendig te maken.
- Bij te dragen aan een goede bereikbaarheid.
Voortgang Nota Ruimtebudget
Voor de zomer van 2009 is voor 16 projecten de bijdrage uit het Nota Ruimtebudget toegekend. Deze projecten zitten nu in de realisatiefase. Het betreft Noordelijke IJ-oevers, Den Bosch Spoorzone, Transitie Greenports, Greenport Venlo (Klavertje 4), Scheveningen Boulevard (onderdeel van Den Haag Internationale Stad), Apeldoorn Kanaalzone, Eindhoven A2 zone zuidelijke aansluiting, Nijmegen omarmt de Waal (Waalfront), Nieuwe Hollandse Waterlinie, Waterdunen, Maastricht Belvedère, Nieuw Reijerwaard en Westelijk Dordtse Oever, Zuidplaspolder, Groningen Centrale Zone, Oude Rijnzone en Westelijke Veenweiden.
Het kabinet streeft er naar om nog in 2009 de bijdrage vast te stellen voor Mooi en Vitaal Delfland, Hengelo Hart van Zuid, IJsselsprong Zutphen, IJsseldelta Kampen, Almere Weerwaterzone, Eindhoven Brainport, Rotterdam Stadshavens, Westflank Haarlemmermeer en Den Haag Internationale Stad (World Forum Gebied). Voor het project Groot Mijdrecht Noord is de Nota Ruimtebudget procedure in 2009 stop gezet, omdat de uitwerking niet langer voldeed aan de Nota Ruimte-doelen.
In 2010 zullen naar verwachting alle 22 projecten in de realisatiefase zijn. Ook in deze fase blijft het rijk betrokken. Door monitoring van de projecten wordt gewaarborgd dat de doelstellingen worden gehaald en de voortgang van de uitvoering op schema blijft. Daarnaast faciliteert het rijk een kennis- en leertraject waarmee relevante kennis wordt verspreid. In het najaar van 2009 zal concreet vorm worden gegeven aan de kennisontwikkeling en -overdracht ten aanzien van de betekenis van de Nota Ruimtebudget-projecten voor de verschillende ruimtelijke doelstellingen.
In hoofdstuk 4 zijn alle Nota Ruimtebudgetprojecten afzonderlijk opgenomen en wordt per project omschreven wat er precies wordt gerealiseerd.
2.2.2 Mooi Nederland
Een tweede programma dat tot doel heeft de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren is het programma ‘Mooi Nederland’. Mooi Nederland, één van de beleidsprioriteiten van de minister van VROM, is vooral gericht op het verminderen van de verrommeling van het landschap. De doelstelling van het programma is dat in 2011 Nederlanders tevredener zijn over het landschap. Op dit moment ervaren ze dat het landschap versnippert, versteent en verrommelt, bijvoorbeeld door de ‘dozen’ langs de snelwegen, oprukkende woonwijken en zendmasten. Het programma ‘Mooi Nederland’ wil dit tegengaan door zuinig en slim omgaan met de ruimte en de kwaliteit van de ruimte te verbeteren.
Belangrijke kernpunten van het programma ‘Mooi Nederland’ zijn:
- Nieuwe verrommeling van het landschap voorkomen en bestaande verrommeling wegnemen.
- Stimuleren van ontwikkelingen die bijdragen aan de openheid en het groene karakter van het landschap.
- Zorgen voor een realistischer planning van nieuwe bedrijventerreinen.
- Streven naar een duurzame manier van verstedelijking en 25-40% van de nieuwbouw realiseren in bestaand stedelijk gebied.
- Stimuleren van gebruik van bestaand aanbod en versnellen van de herstructurering van bedrijventerreinen.
- Verbeteren van de kwaliteit van bedrijventerreinen.
De vier belangrijkste beleidsthema’s waarin de doelstellingen van Mooi Nederland zijn uitgewerkt, zijn de verstedelijkingsopgave (zie §2.2.3), bedrijventerreinen (zie §2.5.2), openheid landschap (zie §2.6.1) en het innovatieprogramma ‘Mooi Nederland’. Voor dit innovatieprogramma is een bedrag van € 13 miljoen beschikbaar. Ideeën, plannen en projecten kunnen meedingen naar een bijdrage. Voorwaarde is dat ze op een innovatieve manier de identiteit van een plek of gebied creëren, versterken of herstellen. De thema’s voor de tweede ronde van het programma worden in de loop van 2009 bekend gemaakt.
2.2.3 Verstedelijking
In vervolg op de woningbouwafspraken die het rijk voor de periode 2005 tot en met 2009 met de stedelijke regio’s heeft gemaakt, zullen voor de periode 2010 tot 2020 verstedelijkingsafspraken worden gemaakt. Het gaat om integrale en regionaal gedifferentieerde afspraken over verstedelijking, waarbij woningbouw in verband wordt gebracht met mobiliteit, klimaat, groen, bedrijvigheid en duurzaamheid. Deze afspraken volgen uit het bestuurlijk overleg MIRT.
Eén van de concrete ambities van dit kabinet is de jaarlijkse realisatie van 80.000 tot 83.000 nieuwe woningen. Doelstelling is om gemiddeld 25-40% van de nieuwe woningen binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren. Voor de Randstad richt het kabinet zich op grond van de Structuurvisie Randstad 2040 op het halen van gemiddeld 40%. Dit is een forse opgave voor de komende jaren. Dat geldt niet voor elke regio in dezelfde mate. De opgave is een grote uitdaging, onder meer door de toegenomen kwaliteitseisen die burgers en overheden aan woningen en woonomgevingen stellen en de focus op duurzaamheid en binnenstedelijke herontwikkeling. Dit vereist een samenhangende benadering, innovatieve oplossingen en – zoals hierboven aangegeven – met voldoende ruimte voor maatwerk.
De stedelijke regio’s benoemen hun opgave, visie, ambities en prioritaire projecten in de zogenoemde gebiedsdocumenten. Het rijk gaat met de regio’s het gesprek over dit document aan op basis van het Rijksreferentiekader Verstedelijking. Dit referentiekader benoemt de prioriteiten en een aantal aanvullende ambities. In het bestuurlijk overleg over het MIRT komen rijk en regio’s vervolgens tot gedeelde ontwikkelingsvisies die neerslaan in de gebiedsagenda’s. In samenhang daarmee worden afspraken gemaakt over het verstedelijkingsprogramma in de periode 2010 tot en met 2019.
Op basis van de gebiedsagenda voeren rijk en regio twee maal per jaar overleg (als onderdeel van de bestuurlijke overleggen MIRT) over woningbouwgerelateerde gebiedsontwikkelingen en maken ze afspraken over concrete bijdragen van rijk en regio aan die projecten en/of programma’s. De rijksbijdragen kunnen bestaan uit een mix van de instrumenten geld, grond, vastgoed, kaders (wetten en regels) en kennis (ontwikkeling en verspreiding). De projecten en programma’s zullen voor zover het investeringen betreft deel uitmaken van hoofdstuk 4 van het MIRT. Indien nodig worden aanvullende afspraken gemaakt.
Naast het stimuleringsbudget woningbouw uit het Aanvullend Beleidsakkoord zijn er via het Besluit Locatiegebonden Subsidies (BLS) tot en met 2010 middelen voor de woningbouw/ verstedelijking beschikbaar. De minister voor WWI heeft in het kader van de Verstedelijkingsafspraken 2010-2020 aangegeven dat, indien het BLS gecontinueerd wordt, de vormgeving een meer of minder programmatisch of projectgericht karakter kan krijgen. Hierbij zal dan tevens worden aangesloten bij de kabinetsreactie op het advies van de Commissie d’Hondt.
Het rijk benoemt op basis van vastgesteld beleid als prioriteiten bij de afspraken over verstedelijking de volgende vier thema’s:
- Verlaging van het woningtekort.
- Hoge kwaliteit van woningen en doorstroming van bewoners.
- Bundeling en optimaal gebruik van ruimte.
- Energiebesparing in de nieuwbouw.
Daartoe zijn onder meer de volgende ambities geformuleerd:
- Vanaf 2015 energieneutrale nieuwbouw realiseren in grotere volumes.
- Wijken, gemeenten en regio’s zijn energieneutraal of energieleverend.
- Hoge materiaalscores op duurzaamheidslabels.
- Het ontwikkelen van een regionaal aaneengesloten netwerk van natuur (groen) en water (blauw), het verkleinen van regionale recreatietekorten en maximaliseren van (speel)groen en blauw in de directe leefomgeving.
- Bewoners zijn tevreden over hun leefomgevingskwaliteit, waar gewenst met een hogere milieukwaliteit dan de wettelijke basiskwaliteit.
- Het minimaliseren van knelpunten met betrekking tot lucht, geur, geluid en externe veiligheid, het benutten van OVknooppunten, maximaal voorsorteren op klimaatneutrale mobiliteit en innovatieve parkeeroplossingen.

Kaart 2.1 Overzicht projecten in het programma Randstad Urgent (september 2009)
Meer informatie
2.2.4 Programma Spoorzoneontwikkeling
‘Makkelijke’ locaties voor stedelijke herontwikkeling zijn niet altijd beschikbaar of conflicteren met eisen van milieu of duurzaamheid. In toenemende mate komen dus complexe (functieveranderings)locaties in beeld, zoals binnenstedelijke spoorzonelocaties. Door integrale gebiedsontwikkeling kunnen deze ruimte bieden aan binnenstedelijke woningbouw en commerciële en maatschappelijke voorzieningen.
Om daadwerkelijk tot ontwikkeling van deze locaties te kunnen komen, is een gezamenlijke inzet van gemeenten en andere partijen nodig. Het gaat immers veelal om complexe locaties met allerlei knelpunten in de milieukwaliteit, externe veiligheidsproblemen en gebrekkige ontsluiting. Daarnaast bestaat een tekort aan alternatieve rangeerterreinen in de buitengebieden.
De ministeries van VROM en VenW werken in het programma Spoorzoneontwikkeling samen met de NS en ProRail om de gemeenten te ondersteunen bij de ontwikkeling van binnenstedelijke spoorzones. Door middel van voorbeeldprojecten (Groningen, Zwolle, Amersfoort, Nijmegen en Roosendaal) wordt verkend welke inzet daar vanuit het rijk voor nodig is. De leerervaringen uit de voorbeeldprojecten worden gedeeld met andere gemeenten en partijen.
2.2.5 Duurzame gebiedsontwikkeling
De centrale doelstelling bij duurzame gebiedsontwikkeling is kwaliteitsverbetering op de thema’s people, planet en profit. Hiervoor worden hoge ambities gesteld die vanaf het begin van het proces als integraal onderdeel worden meegenomen. Bij deze werkwijze wordt maximaal gebruik gemaakt van innovatieve oplossingen (zowel technisch, als gebiedsgericht). Met het oog op klimaatadaptatie moeten het landelijk gebied en de steden, inclusief het hoofdwatersysteem, de infrastructuur- en energienetwerken klimaatbestendig worden ingericht. Hiertoe wordt met een impactassessment zichtbaar gemaakt wat de invloed is van verwachte klimaatveranderingen.
Het duurzaamheidsthema wordt verder gerealiseerd op een aantal vlakken. Ten eerste wordt fors en innovatief ingezet op een robuust groen-blauw netwerk. Ten tweede gaan regio’s werken aan klimaatneutrale mobiliteit. Ook wordt bij gebiedsontwikkeling voortaan rekening gehouden met de kwaliteit en draagkracht van de ondergrond. Hierbij valt te denken aan kansen voor ondergronds bouwen en warmte-koude-opslag, mogelijkheden voor CO2-opslag, de noodzaak van bodemsanering of beheer van grootschalige grondwaterverontreinigingen. Tot slot streven de regio’s naar innovaties voor woningen en gebouwen op het vlak van energiebesparing, de waterketen, recyclebare materialen en flexibiliteit in (her)gebruik van producten. Zo zorgt de minister van VROM op innovatieve wijze voor een sterke impuls voor duurzame gebiedsontwikkeling.
2.2.6 Structuurvisie Randstad 2040
De Structuurvisie Randstad 2040 bevat de langetermijnvisie van het kabinet op de toekomst van de Randstad. Het geeft richting aan de lange termijn ontwikkeling van de Randstad tot een internationaal krachtige, duurzame en aantrekkelijke regio. De visie is verder uitgewerkt in sectorale nota’s, zoals het Nationaal Waterplan, de Mobiliteitsaanpak en de Agenda Landschap. In de structuurvisie geeft het kabinet antwoord op lange termijnuitdagingen waar de Randstad voor staat, zoals de klimaatverandering, bereikbaarheidsproblemen, achteruitgang van leefbaarheid, een aanhoudend grote ruimtevraag en druk op onze concurrentiepositie.
In de structuurvisie heeft het kabinet belangrijke en nieuwe keuzes gemaakt:
- Steden centraal: naast de mainports zijn met name de steden van de Randstad meer en meer onze economische motoren in de internationale concurrentiestrijd.
- Verdichting in de bestaande steden: de ruimtevraag naar woon- en werklocaties zal toenemen in de Randstad. Om het open landschap te ontzien én om de steden te versterken, zet het kabinet in op een betere benutting van de ruimte in de steden.
- Van Groene Hart naar Groenblauwe Delta: door het Groene Hart te verbinden met omliggende grote landschappelijke gebieden ontstaat een meer robuuste groenblauwe structuur die ruimte biedt ruimte voor natuur, recreatie en waterberging. Van IJsselmeer tot de Zeeuwse wateren, van de kust tot de Utrechtse Heuvelrug. Deze Groenblauwe Delta biedt de basis voor een contramal voor verstedelijking.
- Aanpak van opgaven op de juiste schaal: het kabinet kiest ervoor om de opgaven in de Randstad aan te pakken op het schaalniveau waarop de opgave zich voordoet. Dat betekent dat de Randstadschaal dus niet zonder meer als uitgangspunt is genomen voor de visie. Sommige opgaven spelen nu eenmaal op een veel hogere schaal, andere op een veel lagere. Slechts een beperkt aantal speelt op de schaal van de Randstad als geheel.
Op diverse manieren wordt momenteel uitvoering gegeven aan de keuzes en doelstellingen uit de structuurvisie. Daartoe behoort ook de MIRT-verkenning Randstad Sleutelprojecten (zie tekstbox 2 en hoofdstuk 4). Ook een aantal uitvoeringsallianties dat in het verlengde van de structuurvisie is opgestart geeft invulling aan de keuzes uit de visie.