1. Home
  2.   MIRT 2010
  3.   Beleidsterreinen in het MIRT
  4.   Landschap
  5. 2.6 Landschap

2.6 Landschap

Agenda Vitaal Platteland

De Agenda Vitaal Platteland geeft een integrale rijksvisie op een vitaal platteland in al zijn facetten (economisch, ecologisch, gebiedsgericht en sociaal-cultureel). Een leefbaar platteland en een vitale en duurzame agrarische sector is wat het kabinet voor ogen staat.

2.6.1 Agenda Landschap

Driekwart van de Nederlanders is gehecht aan het landschap in en rond de eigen woonplaats en geniet van wat er valt te beleven en te ervaren in dat landschap. De leefomgeving staat echter voortdurend onder druk en de samenleving maakt zich grote zorgen over het verdwijnen van de landschappelijke kwaliteit. Tegen deze achtergrond hebben de ministers van LNV en VROM de Agenda Landschap opgesteld, met als doel een mooi en gevarieerd landschap te behouden of te realiseren. De Agenda Landschap staat in relatie tot het programma Mooi Nederland (§2.2.2).

Hiertoe zet het kabinet in op drie thema’s: zorgvuldig omgaan met de schaarse ruimte door onder meer duidelijke spelregels, vergroting van de betrokkenheid van burgers bij hun landschap en een duurzame financiering van het landschap. Voor dat derde thema baseert het kabinet zich op de adviezen en aanbevelingen van de Taskforce Financiering Landschap (Taskforce Rinnooy Kan). Samenwerking met andere overheden, met name provincies, en maatschappelijke organisaties, verenigd in het Landschapsmanifest, is hierbij essentieel. In de Agenda Landschap zijn 42 acties gemarkeerd die in de periode 2009-2011 worden uitgevoerd. Deze acties moeten leiden tot: 

  • Duidelijke spelregels voor ruimtelijke ontwikkelingen in de rijksprioritaire gebieden voor landschap: de Nationale Landschappen en de rijksbufferzones en meer aandacht voor landschappelijke kwaliteit/ontwerpkwaliteit in het algemeen. 
  • Grotere bekendheid met en betrokkenheid bij het landschap van burgers en ondernemers en betere naamsbekendheid van de Nationale Landschappen. 
  • Meer inzicht in de financieringsbehoefte van het landschap en de mogelijkheden om nieuwe financiële instrumenten in te zetten om extra private middelen te genereren en publieke en private middelen aan elkaar te koppelen.    

Nationale Landschappen

In het Nederlandse landschap nemen de twintig Nationale Landschappen een speciale plaats in. Deze zijn door de provincies nader begrensd en bijna allemaal vastgelegd in streekplannen op basis van door het rijk aangegeven globale gebiedsaanduiding in de Nota Ruimte. Het beleid is gericht op het behouden, beheren en versterken van de unieke landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten van de Nationale Landschappen. Het beleid moet de recreatieve-toeristische betekenis vergroten en de cultuurhistorische waarde van de Nationale Landschappen versterken. Het rijk is eindverantwoordelijk, de uitvoering berust bij de provincies.

Rijksbufferzones

In Nederland zijn tien groengebieden binnen de nationale stedelijk netwerken aangewezen als Rijksbufferzone. Voor deze gebieden voert het rijk een restrictief ruimtelijk beleid om verdere verstedelijking te voorkomen. Op die manier is en blijft er ruimte beschikbaar voor de bewoners van de steden voor recreatie en ontspanning. De nabijheid en beschikbaarheid van dit groen om de stad draagt bij aan een goed woon- en leefklimaat. Per Rijksbufferzone wordt de ontwikkelingsopgave vastgesteld en worden afspraken gemaakt over de uitvoering. Zo nodig sluit het kabinet hiervoor gebiedsakkoorden af met de regionale partners. In het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) staan afspraken over financiering en uitvoering van projecten in de Rijksbufferzones.

In het kader van de Wet Inrichting Landelijk Gebied worden rijksbijdragen verleend voor investeringsprojecten, agrariërs en terreinbeherende organisaties voor landschapsbeheer. Hier vallen onder andere het programmabeheer, de groene diensten en het landschapsbeheer Nederland onder.

Het kabinet wil dat inwoners van Nederland in 2020 tevredener zijn over het Nederlandse landschap dan nu. Ze moeten het landschap dan waarderen met een 8 ten opzichte van een 7,3 nu. De bestaande verhouding tussen bebouwing binnen de steden en dorpen (76%) en in het landelijk gebied (24%) dient onveranderd te blijven. Stedelijk ruimtebeslag in Rijksbufferzones blijft maximaal 34 hectare en het oppervlak voor dagrecreatie is met 5% toegenomen in 2020. Verder worden 200 hectare verspreid liggende kassen gesaneerd om verrommeling tegen te gaan. Het afgelopen jaar is een goed begin gemaakt met het realiseren van deze doelstellingen. Er komt een plan van aanpak voor recreatief groen rond de stad en het beleid voor de Nationale Landschappen zal geëvalueerd worden.

2.6.2 Recreatie

De vraag naar kwalitatief hoogwaardige mogelijkheden om te recreëren blijft stijgen. Dit geldt voor verstedelijkte gebieden waar tekorten aan recreatiemogelijkheden zijn, maar ook voor het buitengebied. Investeren in recreatie, toerisme en landbouw biedt bovendien kansen voor het platteland, dat in specifieke gebieden te maken heeft met een krimpende bevolking. In 2013 moet de tevredenheid over recreatieve voorzieningen in de Randstad op hetzelfde niveau liggen als in de rest van Nederland. Daarbij wordt gestreefd naar een optimale toegankelijkheid van recreatief groen vanuit de stad. Dit kan zowel groen in de stad (zoals parken, groen in de wijk of groenstroken), als grootschalig groen om de stad zijn. Deze voorzieningen moeten in maximaal tien minuten fietsen bereikbaar zijn.

Tegen deze achtergrond spant het rijk zich in voor het opheffen van tekorten aan dagrecreatiemogelijkheden en het voorkomen van nieuwe tekorten. LNV financiert de aanleg en instandhouding van recreatiegebieden om de stad, maar ook gebieden verder weg van de stad zoals de Ecologische Hoofdstructuur en de Nationale Landschappen. Het rijk wil tevens het landelijk gebied voor recreatief gebruik aantrekkelijker en toegankelijker maken. Groen in Nederland (boerenland, oevers, natuurgebieden, water, etc.) dient zoveel mogelijk beschikbaar te zijn voor de recreant. Daarnaast zet het rijk zich in voor het ontwikkelen en onderhouden van landelijk aaneengesloten routenetwerken voor varen, fietsen en wandelen. Om de doelstelling van 14.500 hectare openbaar grootschalig groen om de stad te realiseren is in het beleidsprogramma een intensivering voor verwerven en inrichten voorzien.

2.6.3 Natuur

In het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Natuur is de centrale vraag hoe het behalen van de doelen voor biodiversiteit op efficiënte wijze kan worden zeker gesteld. In de kabinetsreactie op het IBO zal worden aangegeven welke consequenties de aanbevelingen hebben voor het bestaande instrumentarium. Die moeten in 2010 en volgende jaren hun beslag krijgen.

Biodiversiteit internationaal

In internationale context is 2010 een belangrijk jaar voor biodiversiteit. Alle bij de Conventie voor Biologische Diversiteit aangesloten landen, waaronder Nederland, streven ernaar om per 2010 de achteruitgang van biodiversiteit aanzienlijk te verminderen. De EU-lidstaten hebben deze doelstelling aangescherpt tot het stopzetten van het verlies aan biodiversiteit in hetzelfde jaar. Inmiddels is duidelijk dat die EUdoelstelling niet wordt gehaald, maar ook dat er een flinke impuls is gegeven aan bescherming van biodiversiteit op mondiaal niveau. In 2010 wordt de stand van zaken opgemaakt. Voor Nederland gebeurt dit in het licht van de doelstelling om in 2020 de condities van instandhouding voor alle in 1982 van nature in ons land voorkomende soorten zeker te hebben gesteld. In het uitvoeringsprogramma behorende bij het Beleidsprogramma Biodiversiteit 2008-2011 wordt de inzet van Nederland in concrete activiteiten uitgewerkt.

Natura 2000

Met Natura 2000 legt Nederland een netwerk aan van gebieden voor de bescherming van soorten en habitats die op Europees niveau waardevol zijn. Dit gebeurt in het kader van de uitvoering van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. In december 2010 moeten alle 162 gebieden definitief zijn aangewezen. Voor ruim 140 van die gebieden is al een ontwerpaanwijzingsbesluit genomen en voor zeven gebieden is een definitief aanwijzingsbesluit gepubliceerd. Voor een groot deel van die gebieden zal in 2010 ook een (concept)beheerplan beschikbaar zijn. Daarin wordt vastgelegd hoe de gestelde natuurdoelen worden bereikt. Er wordt gezocht naar een balans tussen ecologische doelen en ruimte voor economische ontwikkeling. Hierbij is het uitgangspunt dat projecten en activiteiten met een nationaal belang, alsmede regelmatig terugkerende handelingen (bijvoorbeeld zandsuppleties en groot onderhoud aan rijkswegen), in beheerplannen worden opgenomen. Het opstellen van de beheerplannen gebeurt in nauwe samenwerking met iedereen die bij zo’n gebied is betrokken.

Ecologische Hoofdstructuur

In 2018 moet de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), een samenhangend netwerk van natuurgebieden met een oppervlakte van 728.500 hectare, zijn gerealiseerd. Omdat de EHS is ondergebracht in het ILG zijn de provincies verantwoordelijk voor de uitvoering, die gestoeld is op drie pijlers namelijk verwerving, inrichting en beheer. 2010 is een belangrijk jaar omdat bij de midterm review van het ILG zal blijken of de realisatie van de EHS op schema ligt. De Tweede Kamer heeft de EHS aangewezen als Groot Project, wat betekent dat de minister van LNV elk jaar in september, volgens een met de Tweede Kamer overeengekomen format, op basis van informatie van de provincies, rapporteert over de voortgang van de uitvoering.

Leefgebieden

De leefgebiedenbenadering richt zich op de actieve bescherming van groepen van soorten in een bepaald leefgebied. Kern van de benadering is dat door duidelijk leefgebieden te benoemen en te beschermen, op andere plekken meer ruimte komt voor economische ontwikkeling. Op leefgebieden is geen verzwaard beschermingsregime van toepassing.

De uitvoering van de leefgebiedenbenadering loopt via het ILG. In 2009 hebben alle provincies een uitwerkingsplan voor de uitvoering van de leefgebiedenbenadering opgesteld. Daarin is ook opgenomen dat de leefgebiedenbenadering niet zal worden meegenomen in de midterm review voor het ILG, maar dat de provincies in de eerste helft van 2013 over de uitwerking van hun plannen zullen rapporteren.

2.6.4 Landbouw

Het kabinet wil de ruimtelijke structuur voor agrarische functies verbeteren. Daarbij gaat het om grondgebonden landbouw (akkerbouw, veehouderij) en niet grondgebonden landbouw (glastuinbouw). Het optimaliseren van de agrarische functies in het landelijk gebied draagt bij aan het versterken van de land- en tuinbouw als producent van kwalitatief goede en veilige producten en als beheerder van het landelijk gebied. Het rijk faciliteert de agrarische sector bij de versterking van de ruimtelijke inrichting van de grondgebonden landbouw. Tevens wordt de ontwikkeling van de agrarische (infra)structuur bij de niet grondgebonden landbouw ondersteund. Met de inzet wordt beoogd om een duurzame en (internationaal) concurrerende land- en tuinbouw te realiseren, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan een vitaal en aantrekkelijk agrarisch cultuurlandschap.

Greenports

De investeringen in de Greenports zijn gericht op het behoud en versterken van de economische functie en gelijktijdige versterking van andere gebiedsfuncties zoals water, wonen, recreatie, landschap en natuur. Voor de nietgrondgebonden landbouw en/of kapitaalintensieve landbouw (tuinbouw onder glas) wordt gestreefd naar vormen van ruimtelijke concentratie, bundeling en sanering van verspreid liggend glas, waarbij de ontwikkeling van bedrijvigheid vooral binnen begrensde ontwikkelingsgebieden wordt gestimuleerd. In samenwerking met de gemeenten zal daarnaast in en rond het Westland en Aalsmeer een herinrichting van de wegen en sloten plaatsvinden. Dit levert een bijdrage aan de verbetering van de infrastructuur in deze economisch vitale glastuinbouwgebieden. Met de Stimuleringsregeling Duurzame Glastuinbouwgebieden (STIDUG) wordt de inrichting van duurzame glastuinbouwgebieden ondersteund. Hiertoe zijn landbouwontwikkelingsgebieden glastuinbouw aangewezen.

Multifunctionele landbouw

De multifunctionele landbouw vervult een belangrijke rol bij de ontwikkeling van een veelzijdig platteland. Door de combinatie van primaire productie met andere activiteiten die op agrarische bedrijven worden uitgeoefend (zorg, recreatie, educatie, kinderopvang, natuur- en landschapsbeheer en productie en verkoop van streekproducten) biedt de multifunctionele landbouw vele mogelijkheden om in te spelen op de maatschappelijke vraag naar onder andere rust, ruimte, zorg, recreatie en lekker voedsel.

Reconstructie zandgebieden

Met de reconstructie zandgebieden wil het kabinet de problematiek aanpakken die in een aantal gebieden is ontstaan door de hoge veedichtheid (vermesting, verzuring en geuroverlast) en de aanwezigheid van kwetsbare natuur. Door een integrale, gebiedsgerichte aanpak wordt getracht de landbouw weer kansen te geven en tegelijk ook de milieuen natuurkwaliteit te verbeteren. Het rijk geeft prioriteit aan de reconstructie van de zandgebieden in Zuid- en Oost-Nederland (Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg). Deze reconstructie beoogt mogelijkheden te scheppen voor duurzame landbouw, natuur, milieu, bodem en duurzame waterhuishouding, alsmede het creëren van een aantrekkelijk woon-, werk- en leefklimaat in de zandgebieden. Het doel is de (gebruiks)waarde van de bodem te behouden en waar nodig te herstellen. Het rijk stimuleert daarom een duurzamer gebruik van de bodem.

Grasveld met schapen
MIRT Projectenboek 2010

Hoofdmenu

Servicemenu